Wendela Bos
Wanneer iemand slachtoffer wordt van een ongeval of geweldsincident waarvoor een ander aansprakelijk is, heeft hij recht op een vergoeding van de hierdoor geleden schade. Een van de onderdelen van de schadevergoeding is het zogenoemde ‘smartengeld’. Een vergoeding voor het door het ongeval veroorzaakte pijn, leed en verdriet.
De situatie waarin iemand als gevolg van een ongeval of geweld in coma raakt, roept met betrekking tot de toewijzing van het smartengeld bepaalde juridische vragen op. In hoeverre heeft een dergelijk slachtoffer recht op smartengeld? Welke rol speelt de mate van bewustzijn van het slachtoffer? Is er sprake van een recht op vergoeding van geleden pijn en verdriet als niet duidelijk is of het slachtoffer zich bewust is geweest van dit lijden? In deze blog wordt op deze materie ingegaan aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 (Comateuze Timmerman), een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 6 februari 2013 en het arrest van 8 juli 2025 (Mallorca-zaak).
In het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 betrof het een timmerman die tijdens zijn werkzaamheden viel van een bouwlift van 9 meter hoog.¹ Als gevolg van de val is de timmerman in coma geraakt en na krap vier maanden overleden. Na de eerste periode van coma bevond de timmerman zich in een ‘soporeuze toestand’: een toestand van bewusteloosheid, maar minder ernstig dan een coma. Aannemelijk werd geacht dat de man een zekere mate van besef had van wat hem was overkomen. De Hoge Raad bepaalde dat bij de begroting van het smartengeld rekening gehouden moet worden met alle omstandigheden. In de casus van de timmerman kon worden gedacht aan de aard van de aansprakelijkheid en het letsel, de duur en intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde voor de benadeelde. Ook moest rekening gehouden worden met de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde. De Hoge Raad oordeelde dat aan iemand die bewusteloos is geraakt als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen, niet op grond hiervan een aanspraak op een smartengeldvergoeding mag worden onthouden. Er kan bij bewusteloosheid sprake zijn geweest van gederfde levensvreugde. Gedurende de tijd van bewusteloosheid kon de benadeelde immers niet van zijn leven genieten. Wel mocht er met betrekking tot de hoogte van de vergoeding rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde in beperkte mate het besef heeft gehad van wat hem is overkomen.
In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland uit 2013 ² oordeelde de rechtbank dat het slachtoffer wel recht had op smartengeld. Het ging hier om een 16-jarige jongen die in coma was geraakt na een ernstig auto-ongeval. Vastgesteld werd dat de jongen een minimaal bewustzijn had. De jongen werd in staat geacht pijn en emotie te ervaren, zij het op een andere manier dan ‘gezonde’ mensen. De rechtbank oordeelde daarnaast dat volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 enige mate van besef in het algemeen niet is vereist voor het recht op een smartengeldvergoeding.
Mallorcazaak
In 2025 oordeelde de Hoge Raad opnieuw over de toekenning van een smartengeldvergoeding aan een benadeelde die in comateuze toestand was geraakt.³ Het betrof het slachtoffer in de Mallorcazaak. Het slachtoffer is door een groep mannen mishandeld, vrijwel direct in coma geraakt en na vijf dagen overleden. In deze zaak is vastgesteld dat het slachtoffer vrijwel meteen buiten bewustzijn is geraakt en tot aan zijn overlijden niet meer bij bewustzijn is geweest. De Hoge Raad oordeelde dat een smartengeldvergoeding ‘hoogstpersoonlijk’ is en dat het aan de benadeelde zelf is om te beslissen of hij daar aanspraak op wil maken. Doordat het slachtoffer in deze zaak vrijwel direct in coma is geraakt en niet meer bij bewustzijn is geweest, is hij zich niet bewust geweest van het geweld wat hem is aangedaan. De Hoge Raad concludeerde dat het slachtoffer hierdoor geen kennis heeft gehad van het hem toegebrachte leed, terwijl smartengeld juist is bedoeld om dat leed te compenseren. Een eventuele smartengeldvergoeding kon in deze zaak ook niet meer tot voordeel strekken van het slachtoffer, omdat hij is overleden.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in deze zaak geen recht op smartengeldvergoeding is ontstaan. De Hoge Raad interpreteert het arrest van de Comateuze Timmerman hier op een andere manier dan de Rechtbank Midden-Nederland eerder deed en scherpt de grenzen rondom de toekenning van het smartengeld aan, waarbij de Hoge Raad niet alleen onderstreept dat het recht op een smartengeldvergoeding een ‘hoogstpersoonlijk recht’ is, maar ook dat deze vergoeding aan het slachtoffer zelf ten goede moet komen.⁴
Conclusie
Bovenstaande laat zien dat het voor de beoordeling van de vraag of een slachtoffer recht heeft op smartengeld belangrijk is in hoeverre het slachtoffer zich bewust is geweest van het leed dat hem is aangedaan. Dat het slachtoffer in coma ligt of heeft gelegen betekent echter niet direct dat hij geen aanspraak kan maken op smartengeld. Als het slachtoffer zich voor of na de comateuze toestand wel bij bewustzijn is geweest en het toegebrachte leed heeft kunnen ervaren, kan dit leiden tot toekenning van smartengeld. Dit geldt ook in de situatie waarin het slachtoffer niet (volledig) bij bewustzijn is, maar wel pijn kan ervaren. Wel heeft de Hoge Raad in het Mallorca-arrest de grenzen rondom de toekenning van het smartengeld aangescherpt: wanneer een slachtoffer zich niet bewust is geweest van het hem aangedane leed, bestaat er geen recht op smartengeld. Of het slachtoffer in de Mallorca-zaak zich daadwerkelijk niet bewust is geweest van wat hem is overkomen is mijns inziens nog maar de vraag. Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat hij de eerste klap of trap moet hebben gevoeld.
Na de uitspraak van de Hoge Raad hebben de verdachten een schikking getroffen met de vriendin van het slachtoffer. De inhoud van de schikking is niet bekend. Of de nabestaanden uiteindelijk in het geheel geen smartengeld voor het slachtoffer hebben ontvangen is dus eveneens niet bekend.
¹ HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2149 NJ 2004/112.
² Rechtbank Midden-Nederland 6 februari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0813.
³ HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055.
⁴ J. Sap ‘Het comateuze slachtoffer na het Coma-arrest en het Mallorca-arrest’, VR 2025/139, p. 362 – 365.
Deel dit artikel:
Wendela Bos
Paralegal